triestig
` tries - tig bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1 vooral Zuid-Nederlands triest, droevig, treurig, melancholiek: hij voelde zich triestig ; 2 vooral Zuid-Nederlands droevig stemmend, naar, somber: een triestige motregen ; 3 Zuid-Nederlands bedroevend, betreurenswaardig, ongelukkig, ontmoedigend: ee...