uitkoken
` uit - ko - ken (kookte uit, 1, 2 overgankelijk h., 3, 4 onovergankelijk is uitgekookt) 1 door koken iets onttrekken aan; 2 door koken reinigen; 3 door koken iets van zijn inhoud verliezen: het ei is uitgekookt ; zie ook uitgekookt ; 4 Zuid-Nederlands door te lang koken vervliegen; droog koken