shoppen
Uitspraak: ˈʃɔpə(n) (shopte, heeft geshopt) Werkwoord 1 winkels bezoeken om te kijken of te kopen. Synoniem: winkelen `elke zaterdag met je dochter gaan shoppen in de stad` `online shoppen` 2 [Informeel] langs gelijksoortige winkels of instellingen g...